A dream within a dream within…

 

“…yet if hope has flown away

in a night, or in a day,

in a vision, or in none,

is it therefore the less gone ?

all that we see or seem

is but a dream within a dream.”

 

E. A. Poe

 

Ik , Edgar Allan Poe, heb nood aan spreken na mijn dood. Dat het eerder tegenspreken is, mag u mij niet kwalijk nemen. In het nietige tussen tralies door, hoorde ik nu wel genoeg onzin over de stopzetting van mijn aards verblijf. Lees dit halverwege schemering en deemster, dan pas openen de ogen van zij die makkelijk zwichten voor de lokroep van de tussenwereld. Of scherpen zich de oren van zij die luisteren naar de stem van doemend gloren.

Zeker is het waar dat ik mij in dagen van zwakte liet benevelen door kruiden van gewis. Geen een kan zoveel spoken en schimmen tot zich roepen zonder. Alleen alsem en opium kunnen de doden wakker maken om geen reden. Ook mocht ik menig flessenhals omhelzen. Bij het ontkurken snoof ik mysteries op die ik nuchter nooit had kunnen inademen. In de waas van druivennevels vond ik dikwijls de protagonisten van mijn beschrijf. Ik geef het grif toe, de liefde was groot. En dat ik vruchten plukte van een boom die de mijne niet was, mag ik niet ontkennen. Van alle bedgenotes die de kunst van fluisteren in zich hadden, heb ik het vleselijk genot en het wegkwijnen ervan neergepend. Tot alleen nog het skelet overbleef. Een slager die het genot ontbeent van het geraamte. Dat jagen naar lust bracht schade aan mijn leden. Mea culpa. Er valt niets te ontkennen.

Ik liep langs het randje van boorden waar niemand ooit liep. Werd wakker in sluiers waar ik beter had doorheen geslapen. Raakte bedwelmd door geuren van het vergane waar niet alles dood bleek te zijn. Tot afgrijzen van een bleek spiegelbeeld moest ik soms terug in mijn droom om verloren hersenspinsels op te halen. Ik stierf duizend doden nog voor het ontwaken. Geen enkele werd echter veroorzaakt door wat onderzoekers naderhand beweerden. Niet een delerium tremens, niet door slagen en verwondingen, niet door vergiftiging, niet door hartfalen, niet door suikerziekte, niet door hondsdolheid en niet door epilepsie.

Laat me rusten als ik u zeg. Ik stierf, en eerlijk duurt het langst, door zelfvervulde schrijversangst.

 

Afbeelding

 

– Lees Poe’s Tales of Mystery and Imagination, George Harrap & Co, London en The Best of Poe : The Tell-Tale Heart, The Raven, The Cask of Amontillado and 30 others, Prestwick House

– Luister om in de sfeer te komen naar het conceptalbum Tales of Mystery and Imagination. Edgar Allan Poe van The Alan Parsons project. Bij voorkeur in het donker.

 

 

 

De stad van drie seizoenen

 

Hier, vanop de gedempte wallen, lijken de muren ongastvrij maar dat is slechts schijn, de poorten staan wijd open. Als te uitnodigende benen. Toch mag je er pas binnen tussen het krieken en het vallen. Alsof de stedelingen nog meer rust nodig hebben. Lijkt me niet. Hun hoofdbezigheid bestaat uit slapen, zij het ietwat gedwongen, dat wel.

“A mon ange gardien…pour avoir si souvent dormi.” (George Moustaki)

Ik loop dus op lemen voeten over de kasseien. Nog nat van de dauw. Dauw, die hier langer blijft liggen dan elders, gezien zon en wind er hun schouders voor ophalen. Waarom moeite doen… Ondertussen mompel ik een aftelrijm. Wie ga ik wakker maken ? Met wie ga ik de innerlijke monoloog aan ? Want zwijgplicht hebben de bewoners van dit oord ook al. En anders dan hun soortgenoten ex murus, houden ze zich er aan. Een strenge orde is het. Misschien te streng.

“When you’re strange, no one remembers your name.” (Jim Morrison)

Toch zijn er dissidenten. Eenmaal gewekt, mag je er orakeltaal van verwachten. Nog steeds het aanhoren niet waard voor iemand die de toekomst maar matig kan boeien. En ook, het blijft ongeloofwaardig, zo’n sacrale waarzeggerij van een volk dat sinds het hier woont, drommels goed weet dat opperwezens slechts geveinsde lapmiddelen zijn voor mensen zonder ruggengraat. Of hopeloze hoopadepten.

“Tout ce que nous connaissons de grand, nous vient des nerveux. Ce sont eux et non pas d’autres qui ont fondé les réligions et composé les chef-d’oeuvres.” (Marcel Proust)

Vooralsnog hoor ik geen stemmen. Mijn hoofd houdt wijselijk de luiken dicht. En net als voorheen, loop ik verloren in de overbenaamde naamloze straten. Rondjes draaien op een kermis zonder kinderen. Zonder een dorpsgek zelfs. Maar wel bewust doelloos de tijd verdrijven. In dit duurzaam gekapt labyrint kan dat. Hier spreekt de klok in tegenwijzerzinnen. De gestokte uren bracht de commune bij elkaar. Willen of niet, ze werden op slag brothers in arms. Egalité, fraternité en het o zo overroepen liberté. Hier stichtte men een luie kolchoze wiens land bewerkt wordt door stadsarbeiders. Fluitend als het kan, vloekend als het moet. Hier bouwde de ene monumentaal en de andere schraal. Dus zo gelijk, wat had je anders gedacht, zijn ze nu ook weer niet.

“La vita è un dono, dei pochi ai molti, di colore che sanno e che hanno a colore che non sanno e che non hanno.” (Amedeo Modigliani)

Na korte en langere bezoeken aan bekenden en minder bekenden en een stortbad van aha-erlebnissen, tikt plots de middagzon op mijn schouders. Of ik de lente niet vergeten ben. De lente die, sinds de eerste steenlegging, op deze bodem niets te zoeken heeft. En komt ze per toeval toch eens binnen, wordt ze meteen weggehoond. Nee, de liefde tussen dit seizoen en de hier verankerden is meer dan over. Die breuk valt niet te lijmen, laat staan te rijmen.

“Love is so much better when you’re not married.” (Maria Callas)

Gewillig laat ik mij terug meetronen naar de stadspoort, opgelucht dat men mij niet vraagt om uit te checken. Dit Hotel California vangt me niet, nog lang niet. Eenmaal buiten klop ik de zuchten van me af. Ik recht mijn rug omdat ze je hier toch steeds weer het gevoel geven dat je lichtjes gebukt moet lopen. Opgelegde tunnelvisie. Voor niets nodig. Maar wie durft er in te gaan tegen grote geesten…

“I am so clever that sometimes I don’t understand a single word I am saying.” (Oscar Wilde)

Aan de overkant  staat het geraas al te wachten. Het geraas dat, als ik mij niet vergis, leven heet.

 

 

PS : Het Cimetière du Père-Lachaise in Parijs (Rue de Repos) is alle weekdagen open van 8.00 u tot 18.00 u, op zaterdag van 8.30 u tot 18.00 u en op zon -en feestdagen van 9.00 u tot 18.00 u. In de winter idem, maar een half uur vroeger dicht.